Epidermis & dermis

De epidermis

De epidermis is de meest oppervlakkige cellulaire laag van de huid. Deze laag is gemiddeld 0.1 mm dik, maar op specifieke zones (zoals ter hoogte van de handpalm en de voetzool) kan deze tot 1 a 2 mm dik zijn. Deze dikkere laag is het gevolg van de differentiatie van de epidermale cellen. Ze biedt een extra bescherming voor de handen en de voeten tegen grotere mechanische invloeden zoals stappen en gebruik van de handen.

De epidermis wordt op een niet-directe wijze voorzien van bloed. De nodige zuurstof en voedingsstoffen worden aangevoerd als een gevolg van diffusie ter hoogte van het vasculaire netwerk in de oppervlakkige papillaire dermis.

De verschillende lagen van de epidermis zijn:

De buitenste drie lagen vormen de verhoorningslaag en bevatten cellen die reeds afgestorven zijn. In de korrellaag synthetiseren de cellen keratohyaline, het voorstadium van de hoornstof keratine. In de heldere laag vloeien de keratohyalinelichaampsjes samen en vormen elaidine, een vette substantie met sterk lichtbrekende eigenschappen (stratum lucidum). Tenslotte verhoornen de afgeplatte cellen steeds verder en gaan over in de hoornlaag, waarvan de bovenste laag voortdurend afschilfert. Dit proces zorgt voor een vernieuwing van de epidermis binnen een periode van 27 dagen. De overige cellen van de epidermis zijn melanocyten, langerhanscellen, merkel cellen.

De dermis

De dermis kan gezien worden als een sponsachtige, waterachtige structuur bestaande uit een netwerk van collageen en elastinevezels die zorgen voor de elasticiteit van de huid. In de dermis kunnen twee lagen onderscheiden worden: de papillaire laag (stratum papillare) en de reticulaire laag (stratum reticulare).

epidermis. Hiertussen bevinden zich fine lissen van capillairen die zorgen voor de voeding van de epidermis. Ook de lymfevaten beginnen hier. Het stratum papillare bevat ook talrijke vrije zenuwuiteinden die zich vertakken in de epidermis en verder in temperatuurreceptoren en tastzinorganen (tastlichaampjes van Vater-Pacini en Meisner)

De vrije bindweefselcellen omvatten fibroblasten, macrofagen, mastcellen, lymfocyten, plasmacellen, eosinofiele granulocyten en monocyten. De beweeglijke fibroblasten defferentiëren zich tot fibrocyten die onderling verbindingen vormen door middel van hun lange uitsteeksels en zo een driedimensionaal netwerk vormen. De andere vrije cellen van het bindweefsel zijn ondredelen van het endogene afweersysteem. De vrije ruimte (interstitium) tussen de cellen en de vezelige elementen is gevuld met een gelei-achtige vloeistof, de intercelluaire substantie. De cellen kunnen zich in deze situatie vrij bewegen.