Identificatie van wondgenezingsstoornissen

Identificatie van wondgenezingsstoornissen

Hoewel bij ulcus cruris venosum op basis van de oorzaak van het ontstaan in principe rekening moet worden gehouden met een gestoord genezingsproces, kunnen daarnaast verschillende systemische en lokale invloeden andere stoornissen veroorzaken, die de genezing van het ulcus met maanden tot zelfs jaren kunnen vertragen. Het is dan ook belangrijk om eventuele stoornissen te identificeren en te elimineren.

Bij de systemische wondgenezingsstoornissen gaat het meestal om invloeden die in het algemeen van belang zijn voor het genezingsproces van chronische wonden en zo ook bij ulcus cruris venosum een belangrijke rol spelen. In dit verband moeten genoemd worden de leeftijd van de patiënt, de voedingsstatus, bepaalde basisaandoeningen maar ook de uitwerking van geneesmiddelen.

Op basis van klinisch onderzoek kan worden geconcludeerd dat de fysiologische veroudering het wondgenezingsproces door de algeheel gereduceerde celactiviteit voornamelijk vertraagt. Dit kan uiteindelijk ook een kwalitatieve vermindering van de wondgenezing betekenen. Zwaarwegende stoornissen in de wondgenezing ontstaan echter meestal pas door de effecten van leeftijdgebonden multimorbiditeit.

Voor de wondgenezing moet er voldoende aanbod zijn van eiwit, vitaminen (vooral C en A) en mineralen (vooral ijzer, koper en zink). Door ontoereikende voeding, resorptiestoornissen of wederom door de effecten van bijkomende aandoeningen worden echter juist bij oudere patiënten vaak eiwit- en vitaminetekorten waargenomen, die gediagnosticeerd en behandeld zouden moeten worden. Mocht een zinksupplement zinvol lijken, dan kan dit overigens niet extern in de vorm van zinkzalf, maar zal het oraal via overeenkomstige zinkpreparaten moeten worden toegediend.

Afgezien van de met de leeftijd toenemende vaatziekten, die zoals reeds beschreven de veroorzakers zijn van verschillende beenulceraties, zijn er meer aandoeningen die de wondgenezing remmen: bindweefselziekten (bijv. reumatische aandoeningen), endocrinopathie (bijv. schildklier, bijnier) en stofwisselingsziekten (bijv. diabetes mellitus), maar ook alle aandoeningen die de immuniteit van de patiënt aantasten, zoals bijv. tumoren, infecties of bloedaandoeningen.

Daarnaast moet de invloed van geneesmiddelen worden geëvalueerd. Verschillende farmaca hebben direct een negatief effect op de wondgenezing. In dit verband moeten met name worden genoemd: immuunsuppressiva, cytostatica, antiflogistica (voornamelijk glucocorticoïde) en anticoagulantia. Een niet geringe rol speelt ten slotte de psychosociale situatie van de patiënt. De behandeling van chronische wonden vereist altijd een grote mate van therapietrouw, aangezien de therapie niet beperkt blijft tot lokale maatregelen. Ook causale therapieën zoals compressietherapie moeten consequent worden uitgevoerd en volgehouden. De patiënt moet voldoende worden geïnformeerd over het nut en de noodzaak van de afzonderlijke behandelmaatregelen om te voorkomen dat de therapietrouw afneemt of zelfs helemaal niet tot stand komt.

Lokale storende factoren komen meestal voort uit niet-vakkundige wondbehandeling. Vooral het polypragmatische gebruik van de meest uiteenlopende lokale therapeutica moet hier worden vermeld. Hierdoor kan niet alleen het wondgenezingsproces aanzienlijk worden verstoord, ook het risico op lokale en systemische allergieën neemt drastisch toe. Met name patiënten die maar al te graag naar ‘wondermiddeltjes’ grijpen omdat ze begrijpelijkerwijs de genezing van hun ulcus willen versnellen, moeten worden gewezen op de toepassingsrisico’s van de diverse substanties.